Veelvuldige controles |
|
|
|
Het risico dat cellen van het melanoom losraken en via het bloed of de lymfe op andere plaatsen terechtkomen, is afhankelijk van de dikte van het melanoom. Hoe dikker het melanoom, hoe groter het risico. De arts en de patiënt kunnen die melanoomcellen (micrometastasen) niet opmerken. Op dit moment kennen wij geen onderzoekmethoden om micrometastasen aan te tonen, behalve het opsporen van de schildwachtklier (zie eerder). Omdat het nooit honderd percent zeker is of er wel of geen micrometastasen zijn, is controle nodig. De eerste jaren gaat de patiënt regelmatig op controle. Artsen zijn momenteel van mening dat vijf jaar controle voor dunne melanomen voldoende is; voor dikke melanomen is dat tien jaar. Bij het controleonderzoek gaat de arts na of de regionale lymfeklieren mogelijk zijn opgezet. Wanneer dat het geval is, is behandeling noodzakelijk. Er vindt dan een operatie plaats, zoals eerder beschreven. Het is belangrijk opgezette klieren zo vroeg mogelijk operatief te verwijderen, om verdere voortschrijding van de ziekte te voorkomen. Vanuit de uitzaaiingen in de lymfeklieren kunnen namelijk weer nieuwe uitzaaiingen ontstaan. Het controleonderzoek kijkt ook het litteken en het huidgebied tussen het litteken en de regionale lymfeklieren na op mogelijke uitzaaiingen. Die uiten zich in de vorm van kleine knobbeltjes van enkele millimeters tot enkele centimeters in of onder de huid. Zij kunnen zowel donker- of lichtrood als ongekleurd zijn. De behandeling van zo'n uitzaaiingen bestaat uit het operatief verwijderen van de tumoren. Bij uitzaaiingen op de arm of het been vindt vaak een isolatieperfusie plaats (zie eerder). Patiënten met veel moedervlekken of dysplastische naevi moeten de totale huid laten controleren. Het gaat dan om eventuele nieuwe moedervlekken of veranderingen in bestaande moedervlekken. De patiënt doet er bij elke controle van de huid goed aan de specialist op de hoogte te brengen van veranderingen die hij zelf heeft opgemerkt. Ook andere klachten die niet meteen met het melanoom in verband te brengen zijn, kunnen zij voor alle zekerheid best aan de arts melden. Heeft een patiënt klachten die mogelijk het gevolg zijn van uitzaaiingen, dan kunnen bepaalde onderzoeken nodig zijn, zoals bloedonderzoek, röntgenonderzoek of echografie. |












