Definitie en functie |
|
|
|
De blaas ligt onder in de buikholte, vlak achter het schaambeen. De blaas vangt de urine op, die afkomstig is van de nieren. Urine ontstaat door filtering van het bloed in de nieren. In de nieren komt de urine samen in een trechtervormige ruimte, de nierkelk. Vanuit de nierkelken stroomt de urine via de urineleiders (ureters) in de blaas. Via de plasbuis (urethra) wordt de urine vervolgens uit de blaas geloosd. De nieren, de urineleiders, de blaas en de plasbuis vormen de urinewegen (zie illustratie 1). Aangezien blaaskanker vaker voorkomt bij mannen, ziet u hier een tekening van een man. De urinewegen zijn vanaf de nierkelk tot en met de plasbuis aan de binnenzijde bekleed met slijmvlies, het urotheelweefsel. Dat type slijmvlies komt alleen in de urinewegen voor. Een andere naam voor urotheelweefsel is overgangsepitheel. De blaaswand bestaat verder uit verschillende spierlagen. Aan de buitenkant van de blaas bevinden zich een vetlaagje en enkele lymfevaten. |













