Een lange geschiedenis
Enkele belangrijke data
1787: een Brits chirurg, dr. Johan Hunter, gebruikt voor het eerst de term "angiogenesis" om de groei van bloedvaten in rendiergeweien te omschrijven.
1935: een patholoog uit Boston, dr. Arthur Tremain Hertig, beschrijft de angiogenese in de moederkoek van drachtige wijfjesapen.
1968: twee onafhankelijke teams, het ene in Chicago en het andere in Harvard, tonen aan dat beginnende gezwellen een stof afscheiden (onbekend in die tijd) die de groei van bestaande bloedvaten stimuleert.
1971: Judah Folkman van de universiteit van Harvard uit de hypothese dat men, door de werking van deze stof te blokkeren, de bloedtoevoer van de gezwellen kan afsnijden en hen zo kan doden. Bovendien stelt hij dat deze blokkering de uitzaaiingen van kanker (metastasen) zou vertragen omdat kankercellen vaak de bloedcirculatie gebruiken om zich over het hele lichaam te verspreiden.
1975: Brem en Folkman tonen aan dat het kraakbeen van runderen een stof bevat die de vorming van bloedvaten voorkomt. Het feit dat er geen bloedvaten zijn in dat kraakbeen valt te verklaren door het feit dat kraakbeen een of meerdere anti-angiogenesefactoren bevat die in staat zijn de wildgroei van endotheelcellen te belemmeren (cellen die de binnenwand van de bloedvaten bekleden).
1983: Lee en Langer doen dezelfde vaststelling bij haaien. Deze hebben als bijzonderheid dat 6 tot 8 % van hun lichaamsmassa uit kraakbeen bestaat, tegenover minder dan 1 % bij runderen. Haaien zijn dus een belangrijke bron van anti-angiogenesestoffen.
In de loop van de jaren tachtig leveren enkele experimentele studiemodellen van het anti-angiogenesesysteem de eerste bemoedigende resultaten op. Sindsdien buigen heel wat onderzoekers zich over de rol van de angiogenese in de embryonale ontwikkeling, kanker, hart- en vaatziekten, immunologische ziekten, ontstekingsziekten en degeneratieve aandoeningen.
Update: april 2008