De eerste proeven met kankerwerende immuuntherapie dateren niet van gisteren. In de jaren 70 heeft men bijvoorbeeld het gebruik van het BCG vaccin getest. Dat is een antituberculosevaccin dat gekend staat om zijn algemene stimulerende werking op de immuniteit. Omdat ze geen specifieke werking hadden tegenover kankercellen leverden de proeven niet de gewenste resultaten op.
Recentelijk heeft men geprobeerd de immuniteitsreactie bij bepaalde patiënten te versterken. Daartoe hebben de onderzoekers 2 pistes verkend:
- ze verwijderden lymfocyten bij de zieke, vermenigvuldigden ze in het laboratorium alvorens ze opnieuw te injecteren bij dezelfde patiënt;
- ze injecteerden direct cytokines bij de patiënt (een soort van chemische boodschappers) die in staat zijn om het gehele afweersysteem te stimuleren.
Door de gebrekkige specificiteit tegenover de kankercellen werden de resultaten getemperd. Bovendien kan het gebruik van cytokines gepaard gaan met niet verwaarloosbare neveneffecten (hevige koorts en reacties die gelijkaardig zijn aan deze veroorzaakt door een algemene infectie).
Vandaar het idee om direct op het doelwit in te werken, te weten de kankercellen zelf. Zo kan men proberen ze makkelijker herkenbaar te maken in de ?ogen? van het afweersysteem.
Een poging in deze zin bestond erin om tumorcellen te verwijderen, ze aan te passen in het laboratorium en ze door bestraling onschadelijk te maken alvorens ze opnieuw te injecteren bij de patiënt. De moeilijkheid bestaat erin ervoor te zorgen dat de uitgevoerde aanpassingen voldoende krachtig zijn om de immuniteit te stimuleren, maar niet te sterk zodat de afweercellen de niet aangepaste kankercellen nog kunnen herkennen.