Onderzoek |
|
|
|
Vermoedt de uroloog dat er van blaaskanker sprake is, dan zal hij de patiënt uitgebreid onderzoeken. Naast de blaas zal hij ook de andere delen van de urinewegen onderzoeken. Ook zal hij het bloed en de urine (opnieuw) nakijken. Indien nodig zal hij een onderzoek uitvoeren naar eventuele afwijkingen buiten de urinewegen (in de lymfeklieren, de lever, de longen of de botten). Urineonderzoek Een van de eerste onderzoeken is het urineonderzoek. Komen er afwijkende cellen aan het licht, dan zal verder onderzoek naar de plaats van de tumor nodig zijn. Gezwellen in de urinewegen kunnen namelijk vanaf de nierkelk in de plasbuis voorkomen (zie pagina 6). Cystoscopie Bij een cystoscopisch onderzoek bekijkt de uroloog de blaasholte van binnen. Hij maakt daarbij gebruik van een cystoscoop. Dat is een holle, flexibele buis of een niet-buigzame, waaraan een kijkertje is bevestigd. Meestal gebruikt men de flexibele cystoscoop bij mannen en de niet-buigzame uitvoering bij vrouwen. De cystoscoop wordt via de plasbuis tot in de blaasholte geschoven. Tijdens het inbrengen wordt meteen de binnenkant van de plasbuis beoordeeld. In de cystoscoop bevindt zich een kanaal, waardoor je instrumenten tot in de blaas kunt schuiven. Daarmee kan de uroloog stukjes (tumor)weefsel (biopten) wegnemen voor onderzoek (zie pagina 15). De cystoscopie is niet pijnlijk, maar in het algemeen ervaren patiënten ze als onplezierig. Stukjes weefsel afnemen kan nog net zonder narcose, maar de tumor volledig wegsnijden is wel zeer pijnlijk en gebeurt steeds onder anesthesie (zie pagina's 22 en 28). Weefselonderzoek Voor het vaststellen van het soort blaastumor is onderzoek van de weggenomen cellen en weefsels noodzakelijk. Dat onderzoek gebeurt door een speciale arts, een patholoog, in een laboratorium. Daarnaast kunnen de mate van kwaadaardigheid (de gradering) en de mate waarin de ziekte zich heeft uitgebreid (het stadium), worden bepaald. Het duurt meestal één tot twee weken, voordat de uitslag van het onderzoek bekend is. Bij blaaskanker loopt de gradering (G) van G1 tot en met G3. Hoe hoger de gradering, hoe kwaadaardiger de tumor en hoe sneller hij groeit. Röntgenonderzoek van de urinewegen Met röntgenonderzoek kunnen de nieren, de urineleiders en de blaas op foto's worden afgebeeld. De naam voor dat onderzoek is IVU (intraveneus urogram) of IVP (intraveneus pyelogram). Bij dat onderzoek krijgt de patiënt via een ader van een arm contrastvloeistof ingespoten. Na verloop van tijd komt de vloeistof via het bloed in de nieren terecht. De nieren scheiden die stof, net als andere afvalstoffen, uit. De contrastvloeistof komt via de urineleiders in de blaas, waarna ze wordt uitgeplast. Door met korte tussenpozen röntgenfoto's te maken, is de contrastvloeistof te volgen op zijn weg door het lichaam. Zo krijgt de arts informatie over eventuele afwijkingen aan de urinewegen. Het onderzoek is niet pijnlijk. De contrastvloeistof kan een warm en weeïg gevoel geven. De patiënt moet eventueel één of enkele dagen voorafgaand aan het onderzoek laxeermiddelen innemen; de urinewegen zijn op de foto's namelijk beter te zien als de darmen leeg zijn. Stadium - Op grond van de resultaten van de beschreven onderzoeken krijgt de uroloog inzicht in het stadium van de ziekte. Dat is belangrijk, want aan de hand van het stadium kan hij een behandelingsplan opstellen |












