Inleiding |
|
|
|
De voornaamste bekommernis van de radiotherapeut is de behandeling aan te passen aan elke patiënt, maar ook aan elk gezwel. De beschikbare apparatuur laat momenteel toe de behandeling te individualiseren. Dat berust op de kennis van de exacte positie van het gezwel tegenover de naburige organen en van eventuele uitzaaiingen. Het komt er dus op aan het gezwel een dosis toe te dienen die de lokale controle van de ziekte toelaat en tegelijk de naburige gezonde weefsels zoveel mogelijk spaart.
De uitwendige bestraling of "teletherapie" is de meest voorkomende vorm van radiotherapie. De stralingsbron bevindt zich op ongeveer een meter van de patiënt. De lineaire deeltjesversnellers hebben geleidelijk aan de traditionele "cobaltbommen" vervangen. Ze produceren elektromagnetische stralen met een hogere energiewaarde dan de "cobaltbommen". Externe bestraling kan grote gezwellen behandelen, zelfs diep in het lichaam. De stralen dringen door de huid en de aan de oppervlakte liggende organen, vooraleer hun doel te bereiken. Opname in het ziekenhuis is niet nodig, maar de patiënt moet wel verschillende weken lang dagelijks naar het ziekenhuis. Een dosis afleveren die voldoende hoog is om het gezwel te vernietigen, maar tegelijk de naburige weefsels zoveel mogelijk spaart, vraagt een minutieuze voorbereiding. De stralen werken alleen in op dat deel van het lichaam, waar ze terechtkomen. Vandaar de noodzaak om het doel zo precies mogelijk vast te leggen. Wanneer de therapeutische indicatie gesteld is, bepaalt de radiotherapeut de exacte positie van het gezwel en de eventuele uitzaaiingen. De etappes zijn de volgende. Met de scanner bepaalt men de positie van het gezwel, het verband met de naburige organen en de relatieve dichtheid van de verschillende weefsels die de stralen zullen doordringen. Daarna volgt de keuze voor het type van stralen, voor de straalbundels en de bepaling van wat nodig is om de gezonde weefsels te beschermen. De simulator is een radiografietoestel dat de vooraf berekende verschillende stralingsbundels fictief kan reproduceren, om de juistheid ervan na te gaan. Op dat moment brengt men puntjes aan op de huid van de patiënt, als herkenningspunt bij de latere toediening van de stralen. Brachytherapie We spreken van inwendige bestraling, ook wel "brachytherapie" of "curietherapie" genoemd, wanneer de radioactieve bron onder de vorm van inplantingen rechtstreeks in contact staat met het gezwel. De inplantingen kunnen tijdelijk of definitief zijn. Hoge bestralingsdoses kunnen zo rechtstreeks in contact komen met het gezwel. Een kleine chirurgische ingreep en een korte opname in het ziekenhuis zijn bij dit type van behandeling meestal wel vereist. Er is een onderscheid tussen twee types van inplantingen : Tijdelijke inplantingen: de radioactieve bronnen blijven gedurende een bepaalde periode in het lichaam. De duur hangt af van de indicaties en de gebruikte techniek. |












