Het herpesvirus tegen huidkanker gebruiken?

woensdag, 10 juni 2015

Uit recent onderzoek blijkt dat een behandeling met een gewijzigd virus (herpes simplex 1) gunstige effecten heeft bij patiënten met gevorderd melanoom (een agressieve huidkankersoort). De resultaten met dit middel - talimogene laherparepvec (T-VEC) - zijn in ieder geval hoopvol. 

Er werden 436 patiënten met gevorderd melanoom verdeeld in 2 groepen waarbij de ene groep werd behandeld met een andere immunotherapie (onderhuidse inspuitingen van GM-CSF, een stof die ook het immuunsysteem tegen kanker stimuleert) en de andere groep met inspuitingen met T-VEC, dat in het gezwel werd ingespoten. Een gunstige reactie werd vastgesteld bij 26,4% van de T-VEC patiënten tegenover 5,7% van de andere groep. Meer dan 16% van de T-VEC patiënten bleven een gunstige reactie houden gedurende meer dan 6 maanden tegenover 2,1% in de andere groep. Ook de gemiddelde overleving was beter met T-VEC (23,3 maanden tegenover 18,9 maanden met GM-CSF).  

Bronnen : Andtbacka e.a. Talimogene Laherparepvec Improves Durable Response Rate in Patients With Advanced Melanoma. Published online before print May 26, 2015, doi: 10.1200/JCO.2014.58.3377 JCO May 26, 2015 JCO.2014.58.3377. Mediquality 27/5/15

Commentaar van Stichting tegen Kanker

Immunotherapie via een virus

Het principe van immunotherapie is het immuunsysteem (afweersysteem) van de patiënt zodanig te stimuleren en te “oriënteren” dat het de kankercellen op een meer doeltreffende manier aanvalt en vernietigt. 

In dit specifiek geval wordt een virus, het herpes simplex virus type 1 (dat koortsblaasjes kan veroorzaken) gewijzigd door genetische manipulatie waarbij 2 genen in het virus worden uitgeschakeld. Door deze genetische manipulatie wordt het virus in gezonde cellen vernietigd vooraleer het schade kan veroorzaken. Maar in gezwellen (in dit geval in melanomen) kan het zich wel vermenigvuldigen en het gezwel rechtstreeks aantasten door een bepaalde stof (GM-CSF) aan te maken waardoor de immuunreactie tegen de kanker wordt gestimuleerd. 

Verder wetenschappelijk onderzoek is nodig 

Mogelijk zullen in de toekomst mensen met gevorderd en uitgezaaid melanoom nut kunnen hebben van deze therapie, misschien zelfs als eerste lijnbehandeling bij uitgezaaide melanomen. Maar in dit onderzoek was het toch een minderheid (1 op 4) die gunstig reageert op T-VEC. Daarom zou een test dienen te worden ontwikkeld om vooraf te kunnen voorspellen bij welke patiënten het zinvol is om met dergelijke behandelingen te starten. Dergelijke test is des te zinvoller omdad de nieuwe behandeling zeer duur is. Het is ook nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken uit dit onderzoek: verdere studies met grotere groepen patiënten en evaluatie van de doeltreffendheid van de behandeling op langere termijn zijn nodig. Ook waren er bijwerkingen met T-VEC: vermoeidheid, rillingen, koorts en plaatselijke ontsteking van het lokale weefsels.